ECLI:NL:CRVB:2009:BI2256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging mindering Ruil-Overbruggingsuitkering op WW-uitkering wegens verlies arbeidsuren
Appellant werkte sinds 1994 als jurist en had zijn arbeidsuren per 1 juni 2005 in overleg met zijn werkgever teruggebracht van 38 naar 28 uur per week. Hiervoor ontving hij een Ruil-Overbruggingsuitkering (Ruil-OBU). Na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2006 vroeg appellant een WW-uitkering aan, die werd toegekend op basis van 28 uur per week. Het UWV bracht de ontvangen Ruil-OBU in mindering op de WW-uitkering, omdat deze werd gelijkgesteld met een ouderdomspensioen volgens artikel 34 van Pro de WW.
Appellant maakte bezwaar tegen deze mindering, stellende dat de Ruil-OBU geen ouderdomspensioen is en niet op de WW-uitkering in mindering mag worden gebracht. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de Ruil-OBU op grond van de Regeling Gelijkstelling als ouderdomspensioen moet worden aangemerkt. De uitzondering op de mindering, die geldt indien de inkomsten betrekking hebben op een andere dienstbetrekking die naast de werkloosheid bestond, was niet van toepassing omdat appellant niet aantoonde dat hij naast zijn dienstverband met Ruil-OBU ook een andere dienstbetrekking naast de werkloosheid vervulde.
De Raad stelde vast dat appellant niet per 1 juni 2005 werkloos was, maar slechts de omvang van zijn werkzaamheden wilde verminderen. Er was geen beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt voor de prijsgegeven 10 uur. De Raad erkende dat de wettelijke regeling tot onevenredige gevolgen kan leiden, maar dat dit alleen door de wetgever kan worden opgelost. De mindering van de Ruil-OBU op de WW-uitkering was daarom terecht en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De mindering van de Ruil-Overbruggingsuitkering op de WW-uitkering is terecht en wordt bevestigd.