ECLI:NL:CRVB:2008:BC7221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige grondslag
De appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO- en WAZ-uitkeringen door het UWV per 19 februari 2004, omdat zijn arbeidsongeschiktheid volgens het UWV was afgenomen tot onder de relevante percentages. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de gehanteerde functies passend waren.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de rechtbank zorgvuldig heeft gehandeld en dat de medische grondslag van het besluit deugt. Wel is de Raad van oordeel dat de arbeidskundige onderbouwing voor de WAZ-uitkering onvoldoende is, omdat niet voldoende passende functies zijn aangetoond. De Raad vernietigt daarom het besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen.
De intrekking van de WAO-uitkering blijft gehandhaafd omdat de onderbouwing daarvoor wel toereikend is. De Raad wijst het verzoek om wettelijke rente af en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant, die in totaal €1.449,- bedragen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen; de intrekking van de WAO-uitkering blijft gehandhaafd.