ECLI:NL:CRVB:2007:BB4816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na vijfdejaarsherbeoordeling zonder inbreuk op eigendomsrecht
Appellante ontving sinds 1993 een WAO-uitkering die door het UWV werd ingetrokken na een vijfdejaarsherbeoordeling in 2003, met ingang van februari 2004. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onzorgvuldig had gehandeld door geen psychiater te raadplegen en dat de toegestane overschrijdingen zonder nadere motivering waren geaccepteerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief dossieronderzoek, psychiatrisch en lichamelijk onderzoek, en dat de bezwaarverzekeringsarts een overtuigend rapport had opgesteld. Het rapport van de arts Terpstra uit 2005 bevatte geen nieuwe feiten relevant voor de beoordeling per februari 2004. De Raad zag geen aanleiding voor het inschakelen van een psychiater.
Verder verwierp de Raad de grieven over inbreuk op het eigendomsrecht, discriminatie en strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens vaste jurisprudentie is er geen eigendomsrecht ontnomen omdat de WAO-uitkering afhankelijk is van de mate van arbeidsongeschiktheid, die was afgenomen. Het CBBS is slechts een hulpmiddel bij de beoordeling en geen wijziging van voorwaarden.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees de grieven af, waarmee de intrekking van de WAO-uitkering stand hield.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid zonder schending van rechten.