Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BC8447

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3303 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen aanmaning studiefinancieringslening

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen een aanmaning van de IB-Groep om achterstallige termijnen van haar rentedragende studiefinancieringslening te betalen. De IB-Groep verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de aanmaning geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de aanmaning privaatrechtelijk van aard is en geen publiekrechtelijke rechtshandeling betreft.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel bevestigd. De Raad overwoog dat de Awb alleen bezwaar toestaat tegen schriftelijke besluiten van bestuursorganen die publiekrechtelijke rechtshandelingen zijn. Aangezien de aanmaning geen gebruik maakt van een bijzondere bestuursrechtelijke grondslag, maar een privaatrechtelijke bevoegdheid betreft, is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad zag geen reden om proceskosten toe te wijzen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Hiermee is het bezwaar tegen de aanmaning definitief afgewezen en blijft de betalingsverplichting van appellante onverminderd bestaan.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de aanmaning is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/3303 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2007, 06/939 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-groep).
Datum uitspraak: 21 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2008. Appellante is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.
II. OVERWEGINGEN
Appellante heeft een bezwaarschrift ingediend tegen een op 6 maart 2006 door de IB-Groep aan haar gegeven sommatie om de achterstallige termijnen van haar rentedragende lening te betalen.
De IB-Groep heeft het bezwaarschrift bij besluit van 13 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard, aangezien het niet is gericht tegen een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is – kort samengevat – tot het oordeel gekomen dat de IB-Groep het bezwaar van appellante terecht niet - ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaar van appellante niet was gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb.
Het hoger beroep van appellante treft geen doel.
De Awb maakt het slechts mogelijk bezwaar te maken tegen een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een aanmaning als in geding is geen publiekrechtelijke rechtshandeling, maar is privaatrechtelijk van aard. Dit omdat het bestuursorgaan geen gebruik maakt van een speciaal voor het openbaar bestuur geschapen wettelijke grondslag, maar een bevoegdheid hanteert die krachtens het burgerlijk recht ook door niet-bestuursorganen kan worden gebruikt.
Nu een aanmaning als in geding geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb heeft de IB-Groep het bezwaar tegen deze aanmaning terecht niet-ontvankelijk verklaard en heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het tegen dit besluit ingestelde beroep terecht ongegrond verklaard.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb een proceskostenveroordeling uit te spreken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2008.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
JL