ECLI:NL:CRVB:2008:BD0859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verjaring en stuiting terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering
Appellante ontvangt sinds 1988 een WAO-uitkering. Het UWV concludeerde na een fraudeonderzoek dat zij sinds 1992 inkomsten had ontvangen die niet waren opgegeven. Het UWV trok daarop de uitkering per 1 januari 1992 in, maar herzag dit later deels. Vervolgens nam het UWV besluiten tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen over de periode 1992-2002 en legde een boete op wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het terugvorderingsbesluit deels gegrond wegens onvoldoende motivering en vernietigde het besluit. Het hoger beroep richt zich uitsluitend op de vraag of de bevoegdheid van het UWV tot terugvordering is verjaard. De Raad overweegt dat de verjaringstermijn van vijf jaar aanvangt op het moment dat het UWV bekend is met feiten die terugvordering rechtvaardigen, en dat de verjaring wordt gestuit door een terugvorderingsbesluit of een ondubbelzinnige mededeling.
De Raad stelt vast dat de verjaring in dit geval uiterlijk op 6 oktober 1999 is gestart, maar pas is gestuit door het terugvorderingsbesluit van 18 april 2005. Hierdoor is de bevoegdheid tot terugvordering verjaard voor betalingen vóór 18 april 2000. Het hoger beroep van appellante wordt gegrond verklaard voor zover het ziet op die periode, en het besluit van 6 juni 2006 wordt vernietigd. Het UWV dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen.
De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. Over eventuele schadevergoeding wordt niet beslist omdat het terug te vorderen bedrag nog niet vaststaat.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering is verjaard voor betalingen vóór 18 april 2000 en wordt vernietigd voor dat deel.