ECLI:NL:CRVB:2012:BW0847
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering wegens fictief dienstverband en terugvordering
Appellante werd in 2001 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering na beëindiging van haar werkzaamheden bij een werkgever. Later stelde het UWV vast dat er sprake was van een fictief dienstverband, waarbij appellante niet daadwerkelijk had gewerkt en geen loon had ontvangen. Het UWV trok de WW-uitkering in en vorderde het bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij in hoger beroep haar standpunt herhaalde dat zij wel degelijk had gewerkt en dat de terugvordering was verjaard. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat er geen dienstverband bestond en dat appellante onvoldoende tegenbewijs had geleverd.
De Raad baseerde zich op het frauderapport, verklaringen van betrokkenen en het ontbreken van concrete bewijsstukken van appellante. Ook het beroep op bewijsnood door tijdsverloop werd verworpen. De Raad bevestigde het besluit tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wegens een fictief dienstverband en wijst het hoger beroep af.