ECLI:NL:CRVB:2012:BW0214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Verjaring en terugvordering WAO-uitkering over 1999-2000 met herstelopdracht aan UWV
Appellante ontving een WAO-uitkering die door het UWV over de periode 1999 tot 2006 werd teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling. Zij stelde dat de terugvordering over 1999 en 2000 was verjaard en beriep zich op een brief van 19 april 2000 waarin zij een kopie van haar belastingaangifte over 1999 aan het UWV had toegezonden.
De rechtbank had geoordeeld dat de verjaringstermijn voor terugvordering begon te lopen vanaf ontvangst van een formulier over 2001, waardoor er geen sprake was van verjaring voor de jaren 1999 en 2000. De Raad volgt dit oordeel niet volledig en stelt dat het UWV contact had moeten opnemen over de ontbrekende aangifte, waardoor de verjaringstermijn pas op 1 juli 2000 begon.
De Raad concludeert dat appellante met succes een beroep op verjaring heeft gedaan voor de jaren 1999 en 2000. Er is geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Het UWV wordt opgedragen het besluit van 6 juli 2011 te herstellen met inachtneming van de overwegingen van de Raad. Tevens is een schadevergoeding van €500,-- wegens overschrijding van de redelijke termijn door appellante geaccepteerd.
Uitkomst: Appellante heeft met succes beroep op verjaring gedaan voor terugvordering over 1999-2000; UWV moet besluit van 6 juli 2011 herstellen.