ECLI:NL:CRVB:2008:BD2756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- K. Zeilemaker
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting na verhuizing
Appellant, een alleenstaande uitkeringsgerechtigde, vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van woninginrichting na zijn verhuizing in oktober 2005. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat geen sprake was van noodzakelijke kosten voortvloeiend uit bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep overwoog de Raad dat eerst moet worden vastgesteld of de kosten zich voordoen, vervolgens of deze noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, en ten slotte of deze niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm of vermogen. Hoewel de kosten zich voordeden, was de Raad van oordeel dat de verhuizing niet noodzakelijk was op het moment van aanvraag, omdat de urgentieverklaring voor de moeder van appellant pas vanaf 1 mei 2006 gold en er geen verhuizing van haar plaatsvond.
Daarom kwalificeerden de kosten niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, WWB. De Raad bevestigde de afwijzing van de bijzondere bijstand en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt afgewezen omdat de verhuizing niet noodzakelijk was op het moment van aanvraag.