ECLI:NL:CRVB:2008:BD3856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afschaffing vervolguitkering met terugwerkende kracht
Appellante had vanaf 1 december 2003 recht op een loongerelateerde WW-uitkering voor 2,5 jaar. Het UWV besloot per 1 juni 2006 de vervolguitkering te beëindigen omdat appellante niet viel onder het overgangsrecht volgens artikel 130h WW. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en volgde de uitleg van de Raad over de betekenis van de aanzegging van opzegging.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt en voerde aan dat de terugwerkende kracht van de afschaffing in strijd was met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol EVRM. De Raad verwierp dit beroep en bevestigde de eerdere uitspraak dat het overgangsrecht niet op appellante van toepassing is.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door M.A. Hoogeveen op 21 mei 2008.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afschaffing van de vervolguitkering met terugwerkende kracht wordt bevestigd.