ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1176
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Ontzegging recht op vervolguitkering na reorganisatie bij Philips
Betrokkene was sinds 1970 werkzaam bij Philips en kreeg bij brief van 14 juli 2003 te horen dat zijn functie per 1 januari 2004 zou vervallen vanwege een reorganisatie. Het UWV kende hem een loongerelateerde WW-uitkering toe, maar wees zijn bezwaar tegen ontzegging van de vervolguitkering af omdat de opzegging pas per 30 september 2003 schriftelijk werd bevestigd.
De rechtbank Breda oordeelde dat de brief van 14 juli 2003 als aanzegging van de opzegging kon worden gezien, waardoor betrokkene aanspraak maakte op het overgangsrecht en recht had op vervolguitkering. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat de brief slechts een traject aankondigde en niet de daadwerkelijke opzegging was.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de aanzegging van de opzegging de rechtshandeling is waarbij de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt. Dit vond pas plaats bij de brief van 30 september 2003, die na de overgangsdatum van 11 augustus 2003 lag. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat eerdere fouten van het UWV geen rechtsplicht tot herhaling opleverden.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het besluit van het UWV dat het recht op vervolguitkering werd ontzegd, stand hield.
Uitkomst: Het recht op vervolguitkering is terecht ontzegd omdat de aanzegging van de opzegging pas na 11 augustus 2003 plaatsvond.