ECLI:NL:CRVB:2008:BD3882
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na niet nakomen werkafspraken
Appellant was werkzaam als schoonmaker en kreeg op 7 maart 2005 ontslag op staande voet vanwege het niet nakomen van werkafspraken, waaronder het niet werken van het afgesproken aantal uren en het meenemen van een tweede persoon om hem te helpen. De werkgever trok het ontslag op staande voet later in, waarna de arbeidsovereenkomst via een ontbindingsprocedure werd beëindigd.
Het UWV weigerde de WW-uitkering met ingang van 1 juli 2005 omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de werkweigering vaststond en dat verwijtbare werkloosheid ook kan bestaan indien het ontslag op staande voet is ingetrokken en de arbeidsovereenkomst later is ontbonden.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zich niet hield aan redelijke verzoeken van de werkgever en volhardde in zijn gedrag, wat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid. De Raad oordeelde dat de weigering van de WW-uitkering terecht was en dat het ingetrokken ontslag op staande voet en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst hieraan niets afdoen.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door het niet opvolgen van redelijke werkopdrachten.