ECLI:NL:CRVB:2008:BD6841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Geen bijzondere bijstand voor aflossing huursubsidieschuld ondanks rechtmatig verblijf pleegkinderen
Appellante had aanvankelijk huursubsidie ontvangen, maar deze werd teruggevorderd omdat haar pleegkinderen op de peildatum niet rechtmatig in Nederland verbleven. Nadat het verblijf rechtmatig werd, vroeg zij bijzondere bijstand aan voor de aflossing van de huursubsidieschuld. Het College van B&W wees deze aanvraag af omdat bijzondere bijstand niet wordt verleend voor het aflossen van schulden, tenzij er zeer dringende redenen zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de schuld niet voortkwam uit onjuiste besteding van middelen, maar uit het wegvallen van een voorliggende voorziening, wat een uitzondering op de regel zou rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat appellante ten tijde van de schuld een inkomen had op bijstandsniveau en dat het College terecht geen bijzondere bijstand verleende, omdat geen zeer dringende redenen waren aangetoond en geen aanvraag voor schuldsaneringskrediet was gedaan.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De memorie van toelichting bood geen grond voor een afwijkende beoordeling van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor de aflossing van de huursubsidieschuld.