ECLI:NL:CRVB:2017:1000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor achterstallige eigen bijdragen AWBZ wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant, een uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet WIA, verbleef in een zorginstelling en was op grond van de AWBZ een eigen bijdrage verschuldigd. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor een naheffing van eigen bijdragen over 2010 en 2012 ter hoogte van €7.436,64, welke het college van burgemeester en wethouders van Leudal afwees omdat bijstand voor schulden niet wordt verstrekt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij voerde aan dat de aanvraag niet voor een schuld was, maar voor de eigen bijdrage Zorg met Verblijf, en dat de naheffing niet aan hem te wijten was. Tevens stelde hij dat er zeer dringende redenen waren vanwege zijn lage inkomen en het ontbreken van een betalingsregeling.
De Raad oordeelde dat het enkele feit dat de schuld niet door appellant is veroorzaakt, niet uitsluit dat het een schuld betreft in de zin van artikel 13 WWB Pro. Appellant beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten te voorzien, zodat bijstand voor schulden niet toekomt, tenzij er zeer dringende redenen zijn. De Raad stelde dat zeer dringende redenen alleen bestaan bij een acute noodsituatie met dreiging van ernstig letsel of invaliditeit, wat hier niet is aangetoond.
De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor achterstallige eigen bijdragen AWBZ wordt afgewezen wegens ontbreken van zeer dringende redenen.