ECLI:NL:CRVB:2014:1991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor proceskosten na verwijdering schotelantenne
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor proceskosten die zijn ontstaan na een arrest van het gerechtshof, waarin hij werd veroordeeld tot het verwijderen van een schotelantenne van zijn woning op verzoek van zijn verhuurder. Het college van burgemeester en wethouders wees de aanvraag af omdat de kosten het gevolg waren van het eigen handelen van appellant, namelijk zijn weigering om de schotelantenne te verwijderen, en omdat het verzoek neerkwam op betaling van een schuld, waarvoor geen bijzondere bijstand wordt verleend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef het standpunt van het college dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB geen recht op bijstand geeft voor betaling van schulden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat proceskosten niet als schuldenlast moeten worden gezien omdat zij afhangen van een rechterlijk oordeel en dat er sprake was van bijzondere omstandigheden.
De Raad oordeelde dat het arrest van het hof een schuld voor appellant heeft gecreëerd en dat op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB geen recht op bijzondere bijstand bestaat, ongeacht de oorzaak van de schuld. Ook stelde de Raad vast dat appellant geen zeer dringende redenen had aangetoond die bijstandsverlening onvermijdelijk maken. Het beroep van appellant faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor proceskosten wordt bevestigd wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden en zeer dringende redenen.