ECLI:NL:CRVB:2008:BD7467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en overschrijding vermogensgrens
Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande met toeslag vanwege inwoning van zijn partner [K.]. Na onderzoek bleek dat appellant en [K.] vanaf 1 februari 2005 een gezamenlijke huishouding voerden, wat leidde tot intrekking van de bijstand met terugvordering van kosten over de periode 1 februari tot 30 september 2005.
De Raad stelde vast dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet volledig was nagekomen, onder meer doordat hij het samenlevingscontract uit 1997 niet had gemeld en geen volledige financiële gegevens had verstrekt. Hierdoor was het College bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen.
De afwijzing van de nieuwe aanvraag per 1 februari 2006 werd gehandhaafd omdat appellant en [K.] over vermogen beschikten waarop eerst moest worden ingeteerd. De Raad vernietigde dit besluit echter wegens onvoldoende motivering en onduidelijkheid over de vermogenspositie, waaronder een beslag op een banktegoed.
De Raad veroordeelde het College in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant werd vergoed. De rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit blijven in stand.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd, maar afwijzing nieuwe aanvraag vernietigd wegens onvoldoende motivering.