ECLI:NL:CRVB:2008:BD8847
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet in behandeling nemen bijstandsaanvraag wegens rechtmatig verblijf EU-onderdaan
Appellant, een Belgische EU-onderdaan, vroeg op 31 december 2004 een bijstandsuitkering aan nadat zijn WW-uitkering was geëindigd. Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage verzocht hem om een bewijs van rechtmatig verblijf, met de waarschuwing dat bij uitblijven van dit bewijs de aanvraag niet in behandeling zou worden genomen.
Appellant reageerde dat hij het bewijs kon aanvragen, maar vreesde dat dit zou leiden tot intrekking van de bijstand. Het College besloot daarop op 4 februari 2005 de aanvraag niet in behandeling te nemen wegens het ontbreken van het bewijs. Dit besluit werd op 16 februari 2006 bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de rechtmatigheid van het verblijf van een EU-onderdaan rechtstreeks voortvloeit uit het gemeenschapsrecht en niet afhankelijk is van het overleggen van een document. Het College had een onderzoeksplicht en mocht de aanvraag niet weigeren op grond van het ontbreken van een bewijs van rechtmatig verblijf.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en verklaart het beroep gegrond. Het College dient een nieuw besluit te nemen waarbij de aanvraag inhoudelijk wordt beoordeeld. Tevens wordt het College veroordeeld in de proceskosten en dient het griffierechten aan appellant te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het College wordt vernietigd, waarna het College een nieuw besluit moet nemen.