ECLI:NL:CRVB:2006:AY3868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand van EU-onderdanen vereist zelfstandige toetsing verblijfstatus
Appellanten, een gehuwd stel met vijf kinderen, ontvingen sinds 1999 een bijstandsuitkering. De uitkering werd per 19 augustus 2003 beëindigd omdat de GBA-code van appellanten was gewijzigd in code 98, wat betekent dat zij niet langer over een geldige verblijfstitel beschikten. Het College baseerde het besluit uitsluitend op deze GBA-code zonder zelfstandig te onderzoeken of appellanten als EU-onderdanen economisch actief waren.
De Raad stelt dat de rechtmatigheid van het verblijf van EU-onderdanen rechtstreeks voortvloeit uit het gemeenschapsrecht en dat het bestuursorgaan niet mag volstaan met een verwijzing naar verblijfscodes van de vreemdelingendienst. Het bestuursorgaan moet zelf nagaan of de betrokkene behoort tot de groep van economisch actieven, bijvoorbeeld op basis van arbeidsovereenkomsten en inkomsten.
In dit geval was appellant sinds 2 juli 2003 voor 25 uur per week werkzaam en beschikte hij vanaf 9 februari 2004 over een verblijfsaantekening voor gemeenschapsonderdanen. Het College had deze feiten moeten betrekken bij haar beoordeling. Daarom voldoet het besluit van 18 maart 2004 niet aan de vereisten van zorgvuldige voorbereiding en wordt het vernietigd. Het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens wordt het College veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstand wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen.