ECLI:NL:CRVB:2008:BD9297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verzoek terugkomen op vastgestelde WW-dagloon
Appellante werkte sinds 2000 als verkoopster/bedrijfsleider en kreeg vanaf 2003 een WW-uitkering toegekend na beëindiging van haar dienstbetrekking wegens ziekte. Na een periode van werken en werkloosheid stelde het UWV bij besluit van november 2005 een nieuw WW-dagloon vast, waartegen appellante bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders.
De Raad stelt dat het schrijven van appellante van april 2006 niet als beroep tegen het eerdere besluit moet worden aangemerkt, maar als een verzoek om terug te komen op het vastgestelde dagloon. Dit verzoek kan alleen worden ingewilligd als er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn, wat hier niet het geval is. Ook de dagloongarantie uit artikel 17 van Pro de Dagloonregels is niet van toepassing omdat de dienstbetrekking feitelijk al in januari 2003 was beëindigd.
Verder is het beroep op artikel 4, tweede lid, van het Besluit nadere regeling eindiging recht op WW-uitkering niet gegrond, omdat de volgorde van beëindiging van uitkeringsrechten niet leidt tot een kennelijk onjuiste uitkomst. De Raad verklaart daarom het beroep ongegrond en vernietigt het vonnis van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.