Appellant, geboren in 1945, diende een aanvraag in voor een ouderdomspensioen bij de Duitse instantie, waarna de Sociale verzekeringsbank (Svb) een AOW-uitkering toekende met een korting wegens vermeende niet-verzekerde jaren. Appellant maakte bezwaar en verzocht om herziening, wat werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar de Svb ging in hoger beroep. De Raad oordeelt dat voor de periode vóór de herhaalde aanvraag geen nieuwe feiten zijn aangevoerd, maar dat voor bepaalde tijdvakken, zoals 1977-1979, de beperkte registratie waarop de Svb zich baseert mogelijk onjuist is. De Svb dient nader onderzoek te doen naar de verzekeringsstatus van appellant.
Verder oordeelt de Raad dat de Svb zich opnieuw moet beraden over de periode na appellant's verhuizing naar Duitsland in 1979, mede gelet op zijn werkzaamheden en woonplaats. De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt een nieuw besluit op bezwaar, waarbij de Svb ook rekening moet houden met relevante Europese regelgeving en jurisprudentie. De griffierechten worden aan appellant vergoed.