ECLI:NL:CRVB:2008:BE9646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende erkende beperkingen en onvolledige toelichting functies
De appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering niet te wijzigen ondanks een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 24 januari 2006 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 8 november 2006 ongegrond, omdat het UWV een deugdelijke medische grondslag had en de geschatte functies geschikt waren.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen onvoldoende waren erkend en dat er ten onrechte geen urenbeperking was vastgesteld. Hij onderbouwde dit met verklaringen van een medisch adviseur en zijn huisarts. De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen niet had onderschat en dat de medische rapporten voldoende waren, maar dat de toelichting op de functie machinaal metaalbehandelaar onvolledig was, met name ten aanzien van de signalering van hittebelasting.
De Raad vernietigde het besluit van 8 november 2006 en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.