ECLI:NL:CRVB:2008:BF0071
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen werkzaamheden in tapijtwinkel
Appellant kreeg zijn bijstandsuitkering ingetrokken omdat hij niet had gemeld dat hij werkzaamheden verrichtte in een tapijtwinkel. Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage trok de bijstand in met ingang van 1 maart 2006, omdat deze werkzaamheden van invloed waren op het recht op bijstand.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij slechts hand- en spandiensten verrichtte zonder financieel oogmerk en dat hij zich niet realiseerde dat dit gemeld moest worden. Ook stelde hij dat de intrekking van de bijstand een bijzondere hardheid was.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden duidelijk van belang waren voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat appellant in strijd met artikel 17, eerste lid, WWB geen opgave had gedaan. De Raad bevestigde dat het College terecht de bijstand heeft ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, WWB. De argumenten van appellant boden geen reden om het besluit te vernietigen.
De Raad wees ook op eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat regelmatige aanwezigheid op een werkplek tijdens reguliere uren veronderstelt dat er op geld waardeerbare arbeid wordt verricht. De intrekking werd daarom bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet melden van werkzaamheden.