Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5976

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-416 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens werkzaamheden vanaf maart 2002

Appellant ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%, maar het UWV stelde na onderzoek vast dat hij vanaf 1 maart 2002 werkzaamheden verrichtte in een shoarmazaak voor 20 uur per week tegen het wettelijk minimumloon.

Op grond van getuigenverklaringen, het proces-verbaal van verhoor en het fraudeonderzoek achtte de rechtbank het aannemelijk dat appellant eerder werkte dan hij zelf had opgegeven. De rechtbank verwierp zijn stellingen over de omvang en aanvang van het werk.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde dat de WAO-uitkering terecht werd herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% met terugvordering van onverschuldigde betalingen over de periode 1 maart 2002 tot 1 maart 2007. Het hoger beroep van appellant werd verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

09/416 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 december 2008, 07/4548
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Elissen, advocaat te Prinsenbeek, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Elissen. Met appellant is als getuige meegekomen [naam getuige], die ter zitting een verklaring heeft afgelegd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Volgens eigen opgave is appellant met ingang van 7 oktober 2002 werkzaam bij een shoarmazaak voor enige uren per week tegen het wettelijk minimumloon. De door appellant opgegeven verdiensten hebben niet geleid tot wijziging in de betaling van zijn WAO-uitkering.
1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip is door het Uwv onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WAO-uitkering. Daartoe is een onderzoek werknemersfraude gestart, zijn getuigen gehoord en heeft appellant een verklaring afgelegd. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek, neergelegd in een Proces-verbaal Werknemersfraude van 22 maart 2007, heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant reeds vanaf 1 maart 2002 werkzaam was voor 20 uren per week en dat de inkomsten vanaf die datum resulteren in een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 maart 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 27 april 2007 heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 maart 2002 tot 1 maart 2007 tot een bedrag van
€ 28.960,55 van appellant teruggevorderd.
1.3. Bij besluit van 17 september 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de door appellant gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 14 februari 2007 en 27 april 2007 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de door de getuigen [naam getuige B], [naam getuige C], [naam getuige] en [naam getuige D] en de door appellant tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende onderbouwing voor het standpunt van het Uwv dat appellant vanaf 1 maart 2002 gemiddeld 20 uur per week werkzaamheden heeft verricht. De door appellant overgelegde, aanvullende verklaringen van 14 mei 2007 van [naam getuige] en [naam getuige D] hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. De stelling van appellant dat hij eerst op 7 oktober 2002 in dienst is getreden bij de shoarmazaak acht de rechtbank in strijd met de door appellant op 27 november 2006 tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde verklaring. De aangevoerde grond van appellant dat hij slechts 20 uur per 4 weken betaald werk heeft verricht en dat de uren die hij meer aanwezig was niet als productieve uren dienen te worden aangemerkt, heeft de rechtbank met verwijzing naar uitspraken van de Raad van 28 juni 2006 (LJN AY2629) en 2 september 2008 (LJN BF0071) verworpen.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. De Raad stelt vast dat partijen verdeeld worden gehouden door de aanvang en de omvang van de betaalde werkzaamheden. Appellant neemt het standpunt in dat hij eerst vanaf 7 oktober 2002 werkzaamheden heeft verricht voor 20 uur per maand tegen het wettelijk minimumloon. Het Uwv gaat uit van werkzaamheden vanaf 1 maart 2002 voor 20 uur per week tegen het wettelijk minimumloon. Met betrekking tot de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.
3.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat op grond van de beschikbare gegevens, daarbij met name gelet op tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde getuigenverklaringen en het proces-verbaal van verhoor van appellant op 27 november 2006, voldoende aannemelijk is geworden dat appellant vanaf 1 maart 2002 werkzaamheden heeft verricht in een shoarmazaak voor 20 uur per week tegen het wettelijk minimumloon. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter motivering van dat oordeel heeft gegeven.
3.3. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd voegt de Raad daaraan nog het volgende toe. Zoals uit het voorgaande volgt, worden appellant en de getuigen gehouden aan hun tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde en door hen ondertekende verklaringen, waarvan de relevante passages in de aangevallen uitspraak zijn geciteerd. De Raad acht door appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze en andere tijdens het fraudeonderzoek afgelegde verklaringen op onjuiste gegevens berusten dan wel tot tegengestelde conclusies zouden moeten leiden met betrekking tot de aanvang en de omvang van zijn werkzaamheden en daarom niet mogen bijdragen aan de onderbouwing van het standpunt van het Uwv dienaangaande. Voorts is de Raad van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat wordt afgeweken van het in de vaste rechtspraak van de Raad neergelegde uitgangspunt dat in beginsel van de juistheid van de eerste, tijdens een opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen wordt uitgegaan. Dit uitgangspunt geldt niet alleen ten aanzien van de betrokkene, maar ook ten aanzien van de door getuigen afgelegde verklaringen (zie onder meer de uitspraak van 22 augustus 2008, LJN BF0081). De Raad gaat dan ook voorbij aan de in de fase van beroep en hoger beroep nader afgelegde verklaringen door appellant zelf, [naam getuige] en [naam getuige D].
3.4. Mitsdien heeft het Uwv terecht besloten om de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 maart 2002 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Nu over de periode van 1 maart 2002 tot 1 maart 2007 een deel van de WAO-uitkering van appellant onverschuldigd is betaald, heeft het Uwv eveneens terecht besloten tot terugvordering over te gaan. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) I.R.A. van Raaij.
IvR