ECLI:NL:CRVB:2008:BF0081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde arbeidsinkomsten
Appellant ontving sinds 1988 een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een melding dat appellant werkzaamheden verrichtte bij meerdere werkgevers, stelde het UWV een fraudeonderzoek in. Dit onderzoek concludeerde dat appellant tussen 1 januari 2000 en 31 december 2002 gemiddeld 15 uur per week werkte en loon ontving zonder dit te melden aan het UWV.
Op basis hiervan wijzigde het UWV de arbeidsongeschiktheidsklasse naar 45-55% en verlaagde de uitkering dienovereenkomstig. Tevens werd een bedrag van €16.069,79 teruggevorderd als onverschuldigd betaalde uitkering. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en later door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat verklaringen van getuigen en een frauderapport van zijn neef niet waren betrokken bij de beoordeling, en dat het dossier niet volledig ter inzage was gegeven. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende zorgvuldig had gehandeld, dat de getuigenverklaringen betrouwbaar waren en dat het frauderapport en bijlagen voldoende aannemelijk maakten dat appellant werkzaamheden verrichtte en inkomsten ontving.
De Raad wees de grieven af, bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat het UWV terecht de uitkering had aangepast en het onverschuldigd betaalde bedrag mocht terugvorderen. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van een deel van de WAO-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid.