ECLI:NL:CRVB:2008:BF0207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R. Kooper
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens naderhand beschikbaar gekomen middelen
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf 18 februari 2004 tot 1 december 2005, waarna haar bijstand werd beëindigd vanwege haar pensioenuitkering. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam vorderde bijstandskosten terug over de periode 1 januari 2005 tot en met 30 november 2005, omdat appellante recht had op ouderenkorting en aanvullende ouderenkorting die zij via de Belastingdienst kon terugvragen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College niet bevoegd was tot terugvordering op grond van een administratieve vergissing zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, omdat geen sprake was van een dergelijke vergissing. Dit deel van het besluit werd vernietigd.
Echter, de Raad bevestigde dat het College wel bevoegd was tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, omdat appellante naderhand beschikte over middelen (ouderenkorting) die zij tijdens de bijstandperiode niet had. Dit inkomen moest worden meegerekend bij de bijstandverlening, waardoor terugvordering gerechtvaardigd was.
De Raad bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en dat het College het betaalde griffierecht aan appellante moest vergoeden. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering wegens administratieve vergissing wordt vernietigd, maar de terugvordering wegens naderhand beschikbaar gekomen middelen blijft in stand.