ECLI:NL:CRVB:2006:AX9156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving vanaf 3 mei 2001 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Het College stelde het vermogen bij aanvang vast en waarschuwde voor terugvordering bij het beschikken over voldoende middelen. Na beëindiging van de bijstand op 7 oktober 2002 wegens inkomsten uit arbeid, werd appellante gevraagd bewijsstukken te overleggen over de schuld aan haar moeder en verkoop van de echtelijke woning in België.
Appellante verstrekte onvoldoende informatie, waarna het College het recht op bijstand over de periode 3 mei 2001 tot 7 oktober 2002 introk en de gemaakte kosten terugvorderde. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellante ging in hoger beroep tegen deze besluiten.
De Raad oordeelde dat het College niet bevoegd was de intrekking en terugvordering op grond van de WWB over die periode te baseren, omdat de rechten en verplichtingen beoordeeld moeten worden naar de toen geldende wetgeving (Abw). De Raad herroept daarom het intrekkingsbesluit, vernietigt het besluit tot terugvordering en verklaart het beroep gegrond.
Wel stelt de Raad vast dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet tijdig te melden dat zij op 23 juli 2003 een bedrag van € 43.331,55 ontving uit de boedelscheiding. Dit rechtvaardigt een boete, die wordt vastgesteld op € 34,18 conform de Afstemmingsverordening en internationale verdragsregels.
De Raad veroordeelt het College in de proceskosten en bepaalt dat de gemeente Roosendaal het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.
Uitkomst: De Raad vernietigt de intrekking en terugvordering, bevestigt de boete van €34,18 wegens schending van de inlichtingenverplichting en veroordeelt het College in de proceskosten.