ECLI:NL:CRVB:2008:BF0718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante raakte in 1998 arbeidsongeschikt na een verkeersongeval en ontving sindsdien een WAO-uitkering. In 2005 werd haar arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, die concludeerden dat zij nog passende functies kon vervullen, waarna haar uitkering werd ingetrokken.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij nog steeds niet in staat was tot arbeid. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel, omdat appellante haar standpunt niet met nieuwe medische gegevens onderbouwde en de arbeidskundige beoordeling aannemelijk vond.
In hoger beroep voerde appellante onder meer aan dat het gebruikte Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar was. De Raad oordeelde dat de aanpassingen aan het CBBS de eerdere onvolkomenheden hadden opgeheven. Wel stelde de Raad dat nadere toelichting op de signaleringen bij functies noodzakelijk is.
Het UWV leverde in hoger beroep alsnog een nadere toelichting, waarna de Raad het bestreden besluit vernietigde wegens strijd met de Awb, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende nadere toelichting, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.