ECLI:NL:CRVB:2008:BF4363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R. Kooper
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering ondanks beroep op dringende redenen
Appellante en haar echtgenoot ontvingen vanaf januari 2000 bijstand. Na onderzoek bleek dat zij onroerend goed in Kosovo bezaten en dit in 2002 verkochten zonder dit te melden. Het College van burgemeester en wethouders van Renkum besloot de bijstand over een bepaalde periode in te trekken en de kosten terug te vorderen. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Centrale Raad van Beroep herzag dit en bepaalde dat het College bevoegd was tot terugvordering zonder voorafgaande intrekking.
Appellante voerde aan dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, zoals bedreiging door de koper van het onroerend goed en haar moeilijke positie als vluchtelinge die de taal niet spreekt en na het overlijden van haar echtgenoot alleen staat. De Raad oordeelde echter dat appellante geen bewijs leverde voor de bedreiging en dat haar persoonlijke omstandigheden niet als dringende reden in het beleid konden worden aangemerkt.
De Raad stelde vast dat het College conform het beleidskader handelde en dat er geen grond was om op basis van de Algemene wet bestuursrecht van terugvordering af te zien. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten en wijst het hoger beroep van appellante af.