ECLI:NL:CRVB:2008:BF5281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en medeterugvordering bijstand op grond van WWB
Appellante voerde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die haar beroep tegen een terugvorderingsbesluit van het College ongegrond verklaarde. Het College had de bijstand van haar partner ingetrokken en de kosten teruggevorderd omdat zij een gezamenlijke huishouding zouden voeren, wat gevolgen had voor de bijstandsverlening.
De Raad stelde vast dat de rechtbank ten onrechte zonder nader onderzoek uitging van de onherroepelijke besluiten jegens de partner van appellante. De Raad onderzocht zelf de feiten en concludeerde dat appellante en haar partner gedurende de relevante periode feitelijk een gezamenlijke huishouding voerden, mede gelet op verklaringen van appellante, getuigenverklaringen, het gezamenlijk hebben van een kind en het feit dat de partner regelmatig verbleef in de woning van appellante.
De Raad oordeelde dat het College bevoegd was de bijstandskosten mede bij appellante terug te vorderen op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar het College werd veroordeeld in de proceskosten van appellante in hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het terugvorderingsbesluit van het College bevestigd.