ECLI:NL:CRVB:2008:BG1792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos door diefstal en onzorgvuldige besluitvorming
Appellante, werkzaam als caissière, werd op staande voet ontslagen wegens diefstal van geld en goederen van haar werkgever. Zij vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege een procedurefout: appellante was niet in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van een telefoonnotitie met belangrijke informatie. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat appellante niet in haar belangen was geschaad en de feiten voldoende aannemelijk waren.
In hoger beroep bestreed appellante dit oordeel, stellende dat het gebrek fundamenteel was en haar belangen wel waren geschaad. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank over de procedurefout, maar oordeelde eveneens dat appellante niet in haar belang was geschaad. Tevens stelde de Raad vast dat de feiten voldoende waren om het besluit te handhaven, mede omdat het ontslag inmiddels rechtmatig was verklaard door de kantonrechter.
De Raad verbeterde de gronden van de rechtbank en bevestigde de uitspraak, waarbij het UWV terecht de WW-uitkering geheel heeft geweigerd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 oktober 2008.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd ondanks een procedurefout, omdat appellante niet in haar belang is geschaad.