ECLI:NL:CRVB:2008:BG3147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- G.A.J. van den Hurk
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens weigering medewerking huisbezoek zonder redelijke grond
Appellant ontving sinds 2001 bijstand en werd in 2005 geconfronteerd met een melding van de Belastingdienst over bankrekeningen met een aanzienlijk saldo. De Sociale Dienst Amsterdam probeerde onaangekondigd huisbezoeken af te leggen, maar appellant was niet thuis. Tijdens een gesprek op het kantoor van de SDA weigerde appellant medewerking aan een aansluitend huisbezoek, wat leidde tot intrekking van zijn bijstand per 10 oktober 2005.
Het College baseerde het huisbezoek op het niet aantreffen bij eerdere bezoeken, het ontvangen van bankafschriften op een ander adres en het vermoeden dat appellant meerdere bankrekeningen had die niet bekend waren bij de SDA. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen de intrekking ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek. De Raad vindt dat het niet thuis zijn bij twee onaangekondigde bezoeken en het adres op bankafschriften onvoldoende reden vormen. De verklaring van appellant over een postbusadres was niet ongeloofwaardig en er waren minder belastende manieren om duidelijkheid te verkrijgen.
Daarom was het College niet bevoegd om de bijstand in te trekken wegens weigering medewerking aan het huisbezoek. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt vernietigd omdat geen redelijke grond bestond voor het huisbezoek en de weigering van appellant niet terecht is.