ECLI:NL:CRVB:2008:BG5996
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging anticumulatie en terugvordering WAZ-uitkering ondanks gezondheidsargumenten en vertrouwensbeginsel
Appellant, sinds 1986 zelfstandig handelaar, ontving vanaf 1988 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die in 1998 werd omgezet naar een WAZ-uitkering. Het UWV paste vanaf 1999 anticumulatie toe op grond van artikel 58 WAZ Pro, waarbij de uitkering werd verlaagd vanwege inkomsten uit arbeid als zelfstandige. Tevens werd een bedrag van ruim €26.000 teruggevorderd wegens onverschuldigde betalingen.
Appellant voerde aan dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand feitelijk niet had kunnen werken en dat de inkomsten meer een aanwezigheidsbeloning waren dan reële arbeidsinkomsten. Tevens stelde hij dat het UWV te laat anticumulatie toepaste en hierdoor het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel werd geschonden.
De Raad oordeelde dat het UWV de inkomsten terecht als arbeidsinkomsten had aangemerkt, ongeacht of deze een reële afspiegeling van de arbeidsprestatie waren. De toepassing van artikel 58 WAZ Pro was verplicht en kon met terugwerkende kracht plaatsvinden. Het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel werd verworpen omdat geen schriftelijke toezegging of gerechtvaardigde verwachtingen waren vastgesteld. Ook het late optreden van het UWV vormde geen dringende reden om af te zien van terugvordering.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Zutphen en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering en verlaging van de WAZ-uitkering worden bevestigd.