ECLI:NL:CRVB:2012:BX3445
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAZ-uitkering wegens inkomsten uit arbeid
Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een installatiebedrijf, ontving vanaf 2002 een WAZ-uitkering op basis van een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling in 2007 werd de uitkering aangepast vanwege inkomsten uit arbeid, die appellant niet juist had opgegeven.
Het UWV vorderde terugbetaling van onverschuldigde uitkeringen over de periode 2003-2005. De rechtbank wees het beroep van appellant af, stellende dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn arbeidsinkomsten de uitkering beïnvloedden en dat geen sprake was van schending van rechtszekerheid of vertrouwensbeginsel.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, waaronder dat de terugvordering was verjaard en dat hij mocht vertrouwen op het handelen van de arbeidsdeskundige. De Raad oordeelde dat het UWV verplicht was anticumulatie toe te passen en dat toepassing met terugwerkende kracht niet in strijd was met ongeschreven rechtsregels. De verjaringstermijn was niet verstreken omdat het UWV pas in 2007 voldoende gegevens had om terugvordering te rechtvaardigen.
De Raad verwierp de stellingen over willekeur en schending van het eerlijk proces en bevestigde de eerdere uitspraak. Er was geen dringende reden om van terugvordering af te zien, zodat de terugvordering terecht was.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigde WAZ-uitkering door het UWV is terecht en niet verjaard.