ECLI:NL:CRVB:2008:BG6554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid bezwaar vennootschap tegen WIA-besluit directeur-grootaandeelhouder
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht die het bezwaar van een vennootschap tegen een WIA-besluit ontvankelijk had verklaard. De vennootschap had bezwaar gemaakt tegen een loongerelateerde werkhervattingsuitkering (WGA) toegekend aan een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die gedeeltelijk arbeidsgeschikt werd geacht.
De rechtbank oordeelde dat de vennootschap als werkgever belanghebbende was omdat het besluit over de eerste dag van arbeidsongeschiktheid direct invloed had op haar loondoorbetalingsverplichting. Het UWV stelde echter dat de vennootschap geen werkgever was in de zin van de WAO of WIA omdat er geen dienstbetrekking bestond vanwege familieverhoudingen en het ontbreken van een gezagsverhouding.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de vennootschap geen werkgever is in de zin van de sociale verzekeringswetten en dat het belang van de vennootschap voortkomt uit een specifieke overeenkomst die niet gelijkgesteld kan worden aan een arbeidsovereenkomst. Hierdoor is het belang van de vennootschap slechts afgeleid en niet rechtstreeks bij het besluit betrokken. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van de vennootschap ongegrond.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit van het UWV. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt de strikte criteria voor belanghebbendheid bij besluiten op grond van de WIA en de bijzondere positie van DGA's in familieverhoudingen.
Uitkomst: Het bezwaar van de vennootschap tegen het WIA-besluit is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen rechtstreeks belanghebbende is.