ECLI:NL:CRVB:2008:BG6780
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening intrekking WAO-uitkering wegens detentie en TBS
Appellant ontving sinds 1992 een WAO-uitkering die in 2000 werd ingetrokken omdat hij vanaf mei 2000 gedetineerd was in afwachting van behandeling vanwege TBS. Appellant stelde geen beroep in tegen de intrekking in 2001, maar verzocht in 2004 om herziening met terugwerkende kracht, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad.
Het UWV weigerde de herziening met volledige terugwerkende kracht toe te kennen, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Het bezwaar werd deels gegrond verklaard voor de toepassing van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden, maar de WAO-uitkering werd slechts teruggegeven tot juni 2004.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de inbreuk op het eigendomsrecht gerechtvaardigd was vanwege het belang van rechtszekerheid. De Centrale Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het ontbreken van beroep tegen het oorspronkelijke besluit en het ontbreken van nieuwe feiten het UWV in redelijkheid in staat stelde het besluit te handhaven.
De Raad overweegt dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden en dat de belangen van appellant niet disproportioneel worden belast. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat het UWV terecht de herziening van de intrekking van de WAO-uitkering niet met volledige terugwerkende kracht heeft toegekend.