ECLI:NL:CRVB:2008:BH0363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.N.A. Bootsma
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1983 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde na een anonieme tip en daaropvolgend onderzoek vast dat appellante in de periode van 1 juni 2003 tot 1 juni 2004 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner. Op grond hiervan werd haar uitkering met ingang van 31 mei 2003 beëindigd.
Appellante voerde bezwaar aan tegen deze beslissing en stelde dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stond enkel de vraag centraal of er sprake was van een gezamenlijke huishouding in de genoemde periode.
De Raad oordeelde dat aan de objectieve criteria van gezamenlijke huishouding was voldaan: appellante en haar partner hadden hun hoofdverblijf in dezelfde woning en er was sprake van wederzijdse verzorging, onderbouwd door verklaringen, observaties en getuigenverklaringen. De Raad verwierp de stelling dat de verklaring onder druk was afgelegd en achtte het onderzoek zorgvuldig.
De uitkering werd derhalve terecht ingetrokken voor de periode 1 juni 2003 tot 1 juni 2004 en het recht op uitkering herleefde vanaf 1 juni 2004. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de nabestaandenuitkering bevestigd.