ECLI:NL:CRVB:2008:BH0391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen terugvordering kinderbijslag wegens ontbreken belanghebbende
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) tot terugvordering van kinderbijslag van zijn ex-echtgenote. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellant niet als belanghebbende bij het besluit kon worden aangemerkt. De rechtbank sloot zich hierbij aan en oordeelde dat appellant niet namens zijn ex-echtgenote bezwaar kon maken.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de Svb zelf onduidelijkheid had veroorzaakt door brieven aan zowel hem als zijn ex-echtgenote te sturen en dat hij een machtiging had ingediend om namens zijn ex-echtgenote bezwaar te maken. De Raad oordeelde dat uit het bezwaarschrift enkel bleek dat appellant zelf bezwaar maakte, en dat hij niet rechtstreeks bij het besluit betrokken was. Tevens werd een niet-onderbouwde stelling over gemeenschap van goederen als te laat ingediend buiten beschouwing gelaten.
De Raad benadrukte dat volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de identiteit van appellanten vóór het verstrijken van de bezwaartermijn bekend moet zijn, wat zonder naamgeving niet mogelijk is. Het bezwaar van appellant werd daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep op artikel 6 EVRM Pro werd niet nader gespecificeerd en bleef onbesproken.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant werd niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.