Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Gelderland
Eiser, een eenmanszaak actief in de import van personenauto’s, deed op 8 januari 2010 aangifte BPM voor een Audi en maakte bezwaar tegen de voldoening van deze belasting. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de BPM niet door eiser maar door een ander was betaald en een machtiging ontbrak.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van degene die bezwaar maakt vóór het verstrijken van de bezwaartermijn bekend moet zijn. De machtiging van de kentekenhouder werd niet tijdig overgelegd, waardoor het bezwaar niet ontvankelijk is. Tijdens de zitting werd bevestigd dat de BPM niet door eiser is betaald, noch door de kentekenhouder, maar door een derde, waardoor eiser geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 26a AWR.
Eiser vorderde daarnaast een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat ondanks dat de procedure meer dan twee jaar duurde, bijzondere omstandigheden zoals lopende onderhandelingen en een vaststellingsovereenkomst een langere termijn rechtvaardigen. Daarom is geen sprake van een onredelijke termijnoverschrijding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de BPM is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding is afgewezen.