ECLI:NL:CRVB:2008:BH2424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- J.N.A. Bootsma
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit CIZ over indicatie huishoudelijke verzorging wegens onbevoegdheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het CIZ waarin zijn aanvraag voor indicatie huishoudelijke verzorging, ondersteunende begeleiding en verpleging werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat van de echtgenote en zoon gebruikelijke zorg mag worden verwacht zonder sprake van overbelasting.
De Centrale Raad van Beroep constateert dat het bezwaarbesluit van 2 januari 2006 is genomen door dezelfde persoon die het primaire besluit nam, wat in strijd is met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor is het besluit onbevoegd genomen en moet het worden vernietigd.
Ondanks de vernietiging laat de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat er geen aanwijzingen zijn dat de mantelzorgers niet in staat zijn gebruikelijke zorg te verlenen. De stelling dat mantelzorgers een baan hebben, vormt geen reden tot afwijking van het beleid. Ook is onvoldoende medisch bewijs geleverd voor de gevraagde indicaties.
De Raad wijst erop dat de indicatie in principe niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen, wat hier niet het geval is. Tot slot wordt appellant het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Besluit CIZ vernietigd wegens onbevoegdheid, rechtsgevolgen blijven in stand, griffierecht vergoed.