ECLI:NL:CRVB:2009:BH1654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit afwijzing BWOO-uitkering wegens arbeidsovereenkomst
Appellante was gedurende verschillende perioden werkzaam als docent bij een onderwijsstichting, deels op basis van arbeidsovereenkomst en deels zonder schriftelijke overeenkomst. De minister weigerde haar BWOO-uitkering toe te kennen omdat zij oordeelde dat de werkzaamheden in een deel van de periode als vrijwilligerswerk moesten worden aangemerkt en dus niet voldaan was aan de referteperiode-eis.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij wel degelijk arbeidsovereenkomst had en loon ontving, ook al niet in de periode zelf maar in de daaropvolgende periode. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het standpunt van de minister verworpen.
De Raad oordeelde dat appellante in de periode in geding werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst heeft verricht, waardoor zij voldoet aan de referteperiode-eis en recht heeft op de BWOO-uitkering. Het bestreden besluit werd vernietigd en de minister werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd en appellante komt in aanmerking voor de BWOO-uitkering.