ECLI:NL:CRVB:2009:BH2667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep en afwijzing immateriële schadevergoeding bij WAO-uitkering
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarbij haar WAO-uitkering was beëindigd. Het UWV kwam geheel aan haar tegemoet met een gewijzigd besluit, waarna appellante het hoger beroep introk en schadevergoeding en proceskosten vorderde.
De Raad overwoog dat de vordering tot immateriële schadevergoeding niet gebaseerd was op schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij zodanig geestelijk letsel had geleden dat sprake was van een aantasting van haar persoon in de zin van artikel 6:106 BW Pro. Daarom werd de immateriële schadevergoeding afgewezen.
Ten aanzien van de wettelijke rente volgde de Raad de vaste rechtspraak dat bij de berekening rekening moet worden gehouden met verrekeningen krachtens sociale zekerheidswetten. Het UWV had de rente correct berekend over de nabetaling na verrekening met een andere uitkering. Appellante had niet gemotiveerd dat een andere berekeningswijze voor haar gunstiger zou zijn.
De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van €907,24 aan wettelijke rente en tot vergoeding van proceskosten van €828,90. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 januari 2009.
Uitkomst: Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen, het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.