ECLI:NL:CRVB:2009:BH2770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering IOAW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 1998 een IOAW-uitkering als alleenstaande. Na het overlijden van zijn vader in 2005 werd vastgesteld dat appellant en zijn broer samen een gezamenlijke huishouding voeren op hetzelfde adres, waarbij sprake is van wederzijdse verzorging en financiële verstrengeling. Dit leidde tot intrekking en terugvordering van de uitkering over de periode 22 juli 2005 tot en met 30 april 2006.
Appellant voerde aan dat er geen wijziging in zijn situatie was en dat hij niet wist dat het overlijden van zijn vader invloed had op zijn uitkering. De Raad oordeelde echter dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit van invloed was en dat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant en zijn broer als gehuwd moeten worden aangemerkt voor de IOAW en dat de uitkering ten onrechte is verstrekt. Er waren geen dringende redenen om af te zien van intrekking en terugvordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet aan appellant opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de IOAW-uitkering bevestigd.