ECLI:NL:CRVB:2009:BH6362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-uitkering bij ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant was vanaf februari 2003 werkzaam in tijdelijke dienstverbanden als inpakker bij een werkgever. Vanaf mei 2003 werd hem een WW-uitkering toegekend. Het UWV heeft in meerdere besluiten aangegeven dat geen nieuw recht op WW-uitkering is ontstaan, maar dat het eerder toegekende recht is herleefd, omdat appellant werkzaam was in een cyclisch arbeidspatroon en geen seizoenmatige arbeid verrichtte.
Appellant stelde in hoger beroep dat er wel sprake was van nieuwe feiten, namelijk dat zijn werkzaamheden als seizoenarbeid moesten worden aangemerkt, en dat het UWV onjuist had gehandeld. Tevens voerde hij rechtsongelijkheid aan omdat collega’s in vergelijkbare situaties wel nieuwe WW-rechten kregen.
De Raad overwoog dat uitspraken van de Raad uit 2005 geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn in de zin van de Awb. Het risico van onjuiste uitleg van wettelijke voorschriften ligt bij de betrokkene die in eerdere besluiten heeft berust. Het UWV was bevoegd het verzoek af te wijzen en er was geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om nieuwe WW-rechten toe te kennen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.