ECLI:NL:CRVB:2009:BI0339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-wonen op opgegeven adres
Appellant en zijn partner vroegen in maart 2005 een bijstandsuitkering aan op grond van de WWB, met als opgegeven woonadres een woning in Rotterdam. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende de uitkering toe aan appellant, maar niet aan zijn partner vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel.
Naar aanleiding van een signaal van Eneco dat er geen energie was geleverd aan het opgegeven adres tussen februari en augustus 2005, voerde het College onderzoek uit. Bij huisbezoeken bleek de woning nauwelijks bewoond, en appellant gaf aan elders te wonen. Het College schortte de uitkering op en trok deze later terug over de periode waarin appellant niet op het opgegeven adres zou hebben gewoond, en vorderde de bijstandskosten terug.
Appellant voerde aan wel op het adres te hebben gewoond en overhandigde diverse verklaringen en documenten. De rechtbank Rotterdam oordeelde echter dat deze niet overtuigend waren en bevestigde de intrekking van de uitkering. In hoger beroep stelde appellant dat de energielevering niet was stopgezet, maar kon dit niet met concreet bewijs onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en bevestigt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de betwiste periode op het opgegeven adres woonde. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstandsuitkering bevestigd.