ECLI:NL:CRVB:2009:BI1926
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting en ontbreken woonplaats
Appellante kreeg vanaf 13 april 2001 bijstand toegekend door het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na een melding in februari 2005 dat zij samenwoonde in een andere plaats, voerde het College een onderzoek uit, waarbij onder meer huisbezoeken, getuigenverhoren en bankafschriftcontroles plaatsvonden. Dit leidde tot het besluit van 4 april 2006 om de bijstand met ingang van 1 maart 2006 in te trekken en terug te vorderen over de periode van 1 juli 2001 tot en met 28 februari 2006, omdat appellante niet meer in Rotterdam woonde en dit niet had gemeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel recht had op bijstand, maar de Raad stelde vast dat de onderzoeksbevindingen voldoende grond boden om te concluderen dat zij vanaf 1 juli 2001 niet meer in Rotterdam woonde. Het feit dat zij ingeschreven bleef staan in de gemeentelijke basisadministratie deed hieraan niet af. Tevens had zij een bankrekening verzwegen en kamers verhuurd, waarbij zij zelf slechts sporadisch in de woning verbleef.
De Raad oordeelde dat het College terecht de bijstand introk en de kosten terugvorderde op grond van de WWB. Het beleid van het College was in overeenstemming met eerdere uitspraken en het bestuursrecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens het ontbreken van woonplaats in Rotterdam en schending van de inlichtingenverplichting.