ECLI:NL:CRVB:2009:BI1937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op algemene bijstand bij ontvangen uitkering volgens de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen besluiten van het Dagelijks Bestuur die hun aanvraag voor algemene bijstand over de periode van december 2001 tot oktober 2003 afwezen, omdat zij in die periode een uitkering ontvingen op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik).
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit wegens onbevoegdheid van het Dagelijks Bestuur, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellanten stelden zich in hoger beroep op het standpunt dat zij door het College gedwongen zouden zijn de Wik-uitkering te blijven ontvangen, wat volgens hen een zeer dringende reden voor bijstand zou opleveren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de bevoegdheid om besluiten te nemen bij het College berustte en niet bij het Dagelijks Bestuur. Tevens bevestigt de Raad dat de rechten en verplichtingen beoordeeld moeten worden naar de wetgeving die gold op het moment van de uitkering. Omdat appellanten een Wik-uitkering ontvingen, hadden zij geen recht op algemene bijstand. De stelling van appellanten over dwang in het kader van mediation vormt geen zeer dringende reden voor bijstand. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten geen recht hebben op algemene bijstand over de periode waarin zij een uitkering volgens de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ontvingen.