ECLI:NL:CRVB:2009:BI2923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering ziekengeld en toekenning immateriële schadevergoeding wegens redelijke termijnoverschrijding
Appellant werd door het UWV terugvordering van onverschuldigd betaald ziekengeld opgelegd over de periode van 19 oktober 1998 tot 19 september 1999. Na bezwaar en eerdere procedures stelde het UWV de terugvordering vast op een lager bedrag, maar de rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onterecht een terugvordering van een Sazas-uitkering had betrokken en dat het Besluit herziening en intrekking uitkeringen van toepassing was, waardoor terugvordering had moeten worden afgezien. De Raad oordeelde dat het Besluit niet van toepassing was omdat het hier om terugvordering ging en niet om intrekking of herziening. Tevens werd vastgesteld dat de Sazas-uitkering niet bij de terugvordering was betrokken en dat het teruggevorderde bedrag correct was vastgesteld.
Verder wees de Raad het beroep af dat op grond van artikel 33 Ziektewet Pro vanwege dringende redenen van terugvordering moest worden afgezien. Wel stelde de Raad vast dat de redelijke termijn voor de procedure ruim was overschreden, waarbij de overschrijding volledig aan het UWV kon worden toegerekend. Daarom kende de Raad appellant een immateriële schadevergoeding van € 4.500 toe en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en een immateriële schadevergoeding van € 4.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.