ECLI:NL:CRVB:2009:BI3659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van intrekking partnertoeslag en toekenning éénoudertoeslag onder Wet studiefinanciering 2000
Appellante had partnertoeslag ontvangen, maar de IB-Groep stelde bij controle vast dat zij in de periode april tot en met december 2004 geen partner had. Na verzoek om bewijsstukken en het uitblijven van reactie, werd vastgesteld dat zij ten onrechte toeslag had ontvangen. De IB-Groep besloot de toeslag te herzien en terug te vorderen, en verleende éénoudertoeslag per 1 februari 2006.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2006, maar richtte dit niet tegen de intrekking van de partnertoeslag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het verzoek om éénoudertoeslag pas in februari 2006 was gedaan. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel degelijk eerder had doorgegeven geen partner meer te hebben en dat er ten onrechte geen hoorzitting was gehouden. Tevens deed zij een beroep op de hardheidsclausule.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de IB-Groep terecht de éénoudertoeslag per 1 februari 2006 had toegekend. Het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat dit niet in de bezwaarfase was aangevoerd en onvoldoende was onderbouwd. De stelling over het ontbreken van een hoorzitting werd verworpen omdat de hoorplicht volgens artikel 7.3 van de Wet studiefinanciering 2000 niet geldt. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de partnertoeslag en toekenning van de éénoudertoeslag per 1 februari 2006 wordt bevestigd.