ECLI:NL:CRVB:2009:BI4328
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstand sinds 1996 en gaven aan dat appellant vanaf oktober 2003 tien uur per week werkte bij de bakkerij van hun dochter. Na een fraudemelding startte de gemeente een onderzoek waaruit bleek dat appellanten vanaf juni 2002 tot december 2003 en daarna tot december 2003 en verder fulltime werkzaamheden verrichtten in de bakkerij, zonder dit volledig te melden.
Het College trok de bijstand per 13 juni 2002 in en vorderde €38.081,60 terug wegens het niet melden van inkomsten en werkzaamheden. De rechtbank vernietigde het bezwaar tegen dit besluit, oordeelde dat de inlichtingenplicht was geschonden en dat de bijstand terecht was ingetrokken en teruggevorderd.
Appellanten voerden aan dat zij mogelijk alle inkomsten hadden opgegeven en dat het werk onbetaald in de familiesfeer was verricht. De Raad oordeelde dat ook onbetaald werk als op geld waardeerbare arbeid geldt en dat het College moet kunnen vertrouwen op de juistheid van de inkomstenverklaringen.
De Raad bevestigde dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen over de periode 13 juni 2002 tot en met 31 augustus 2005. Er waren geen bijzondere omstandigheden om van het terugvorderingsbeleid af te wijken. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht worden bevestigd.