ECLI:NL:CRVB:2009:BI4446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet opgegeven werkzaamheden in familiebdrijf
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand sinds 1992. Na melding dat appellant werkzaamheden verrichtte in het autohandelbedrijf van zijn broer, startte het Team Handhaving een onderzoek. Dit leidde tot de conclusie dat appellant sinds 18 april 2002 werkzaamheden verrichtte die niet waren opgegeven, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Het College trok de bijstand met ingang van 1 december 2005 in, herzag de bijstand over de periode 18 april 2002 tot 30 november 2005 en vorderde €62.132 terug. Appellant betwistte de schending van de inlichtingenverplichting en stelde dat hij slechts incidenteel hielp zonder beloning.
De Raad oordeelde dat de activiteiten van appellant binnen het commerciële bedrijf als op geld waardeerbare werkzaamheden moeten worden aangemerkt. Door geen opgave te doen van deze werkzaamheden schond appellant zijn inlichtingenverplichting. Het College handelde terecht bij de intrekking en terugvordering van de bijstand. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens niet opgegeven op geld waardeerbare werkzaamheden en schending van de inlichtingenverplichting.