ECLI:NL:CRVB:2009:BI5957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke door het UWV werd geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant in 2006 gegrond en bepaalde dat het UWV nader onderzoek moest verrichten. Na een nieuwe beslissing op bezwaar handhaafde het UWV de weigering, gesteund op een expertise van het Academisch Centrum voor Arbeid en Gezondheid (ACAG).
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze nieuwe beslissing ongegrond, waarbij zij oordeelde dat onvoldoende duidelijkheid bestond over de aard en ernst van de klachten van appellant en dat het UWV terecht nader onderzoek had gedaan. De Raad volgt dit oordeel en benadrukt dat arbeidsongeschiktheid alleen kan worden vastgesteld indien medisch objectief is aangetoond dat de verzekerde de in aanmerking komende arbeid niet kan verrichten.
De Raad stelt vast dat uit de ACAG-expertise geen indicatie blijkt van fysieke of mentale beperkingen die het verrichten van arbeid onmogelijk maken. Ook de neuroloog kon geen stoornis vaststellen. Het hoger beroep van appellant wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering wegens het ontbreken van medisch objectief vastgestelde arbeidsongeschiktheid.